Mogen we hem houden?
- 11 aug
- 2 minuten om te lezen
Het is een drukke, warme dag geweest. De zoveelste in de rij. Ik heb Hunter een beetje verwaarloosd. Het is het grootste gedeelte van de dag te warm om met hem te trainen en in de chaos van een huis verbouwen met een puber, tiener en peuter geef ik hem te weinig hersengymnastiek. Ik kom al een paar dagen niet verder dan een Kong gevuld met yoghurt en aardbeien invriezen en een hand brokjes de tuin in gooien om hem een beetje bezig te houden. Vandaag is hij al een aantal keer uitgebroken om zelf een rondje over de velden te maken. Als ik hem niet mis en terugfluit, staat hij na een tijdje te blaffen bij de poort.
Ik trek de koelkast open en daarna de vriezer. Er is genoeg te eten, maar ik heb echt geen puf om een maaltijd te bedenken die ik kan bereiden op één elektrische pit en/of in de oven. Het is woensdag en nog geen half zes. Een voorzichtige glimlach trekt over mijn gezicht. Met een beetje geluk heeft de pizzaman nog een gaatje. Hij staat eens per week in het dorpje naast het onze, nog geen vijf minuten rijden vanaf mijn huis.
Ik bel hem en vul het laatste gaatje op zijn bestellijst. Als die lijst vol is, heb je pech. Ook als je voor zijn neus staat. Het is een soort Russische roulette, maar dan met pizza. Je moet hopen dat de buren geen pizza willen,
dat hij zin heeft om te werken en niet halverwege de avond ziek wordt. Want in al die gevallen moet je naar de supermarkt voor diepvriespizza. Ik mag mijn bestelling ophalen om acht uur.
Als de kinderen rond kwart voor zeven beginnen te mekkeren over honger, gooi ik ze een zak chips toe en ga met mijn boek weer terug naar het schaduwplekje onder de bomen. Morgen een nieuwe poging om de perfecte moeder te zijn die alleen gezonde snacks voorzet.
Rond acht uur rijden Wies en ik naar beneden. We treffen een mopperende pizzabakker aan. Hij voelt zich niet lekker en wil naar huis. Ik lach verontschuldigend, betaal contant en dump de dampende pizzadozen bij Wies op schoot. De lucht betrekt een beetje en de avond valt sneller dan ik dacht. Gelukkig is het niet ver rijden en is er amper verkeer, want ik ben natuurlijk mijn bril vergeten.
Als we bijna thuis zijn, trap ik hard op de rem. Merde! Is die hond nu weer ontsnapt! Ik had nog zo gezegd dat hij niet naar buiten mocht als ik er niet was.
‘Mam, dat is Hunter niet hoor!’
‘Natuurlijk wel, wat anders?’ Ik knijp mijn ogen dicht om beter te kunnen zien en rijd een stukje dichter naar het ding op de weg toe.
‘Een everzwijn!’, roepen we in koor.
We kijken elkaar even perplex aan. ‘Wat moet je doen als je wordt aangevallen door een everzwijn?’, vraagt Wies.
Ik heb ook geen idee. ‘Hem een stukje pizza aanbieden?’, opper ik terwijl het beest ons terrein op sjokt.
‘Oh mam, hier wonen we gewoon hè. Mogen we hem houden?!’




Opmerkingen