Kusjes van een dame die ik niet ken
- 14 aug
- 3 minuten om te lezen
Zoetjesaan worden de straten steeds drukker. Het is zaterdagochtend en in het oude centrum van Figeac is er markt. Vandaag waren we vroeg en konden we boven parkeren. Dat is mijn favoriete plek, omdat je met trappen naar het oude centrum moet lopen. Bovenaan geniet ik altijd even van het uitzicht.

De kraampjes en rondkijkende mensen tegen de achtergrond van middeleeuwse gebouwen doen me denken aan het schilderij ‘De Lakenmarkt van 's-Hertogenbosch’, geschilderd rond 1530 door een anonieme schilder. Dit schilderij heb ik met heel veel eerstejaars vmbo-leerlingen goed bekeken tijdens mijn lessen geschiedenis. De ambachten, kraampjes, georganiseerde chaos en het vogelperspectief zie ik ook in het huidige Figeac. Net als de groepjes mensen die een praatje maken.
De eerste keer dat het me overkwam, was ik een beetje van mijn stuk. Nietsvermoedend stond ik, onderweg naar de kraam met planten, een paar handgemaakte oorbellen te bekijken toen ik een hand op mijn arm voelde. ‘Oui, c’est vous! Ça va?’ Voor ik goed en wel doorhad wat er gebeurde, werd er op elke wang een kus geplant. ‘Wat zie je er goed uit! Ben je op zoek naar oorbellen?’ ‘Uhm nee, eigenlijk was ik op weg naar de kraam met planten.’ Ik hoopte hiermee snel het gesprek met de oudere dame, met zeeën van tijd, te beëindigen. Ik was me mentaal aan het voorbereiden op het gesprek over de plant die ik zocht en had moeite met het Franse kletspraatje dat alle kanten op kan schieten. En ik probeer de dame te plaatsen, wat niet lukt, omdat mijn hoofd volledig wordt overgenomen door nu niet bruikbare Franse woorden. Mijn Frans wordt beter, maar kletspraatjes vind ik de hel. Want als deze dametjes eenmaal doorhebben dat je enigszins begrijpt wat ze bedoelen en je ook een grammaticaal kloppende zin terug kan zeggen, gaan ze los op standje mitrailleur. Ook nu wil ik graag wegkruipen, omdat haar Franse woorden als kogels om m’n oren vliegen.
Ondertussen besef ik dat ik deze dame gisteren aansprak in de supermarkt. Haar fles wasverzachter was lek en ze trok een heel glibberig spoor door de hele winkel. ‘Net als Hans en Grietje’, kirde ze tot hilariteit van haarzelf, terwijl de ogen van de jongen op de dweilmachine haast uit zijn kassen rolden van ergernis. Nu laat ze me trots haar tomatenplantjes zien die ze net gekocht heeft. ‘Heel makkelijk hoor, dat kun jij vast ook.’ Ik zal haar maar niet vertellen dat ik walg van verse tomaten en dat deze plantjes er bij mij echt niet inkomen. Ondertussen staat Steve achter deze dame een imitatie te doen van de dweilmachinegast. Hij is er klaar mee en wil doorlopen. Ik voel met hem mee, maar krijg de dame niet afgepoeierd. Lot helpt ons uit de brand en zet het op het huilen. Hij wil uit de wagen. ‘Oh petit mignon, tu es fatigué!’ Ja precies! Hij moet naar bed, bonne journée, à bientôt.
Nagrinnikend loop ik door de straat. De plant die ik wilde, hadden ze niet, maar ik heb wel via de smid, die overigens ge-wel-dige messen maakt, een leren duimbeschermer gekocht bij het meisje dat leerbewerkt. Steve loopt naast me en schudt glimlachend zijn hoofd. ‘Wat?’ zeg ik.
‘Ik zie je zelden zo genieten’, antwoordt hij. Ik lach terug. Hij heeft gelijk. Ik word zo blij van de vibe op de markt, het gekeuvel en er steeds meer onderdeel van worden. ‘Nog even en je wilt ook zo’n handgevlochten rieten mand voor al je aankopen’, grinnikt hij.
‘Moet jij zeggen met je handgebreide raffia-hoed, fabriqué en France.’
‘Touché’.




Opmerkingen